“Mama, I just killed a man. Put a gun against his head, pulled my trigger, now he’s dead.” Er zijn veel Queen-kenners die beweren dat de Bohemian Rhapsody gaat over de coming out van Freddie Mercury (de zanger van Queen), al zullen we dat nooit zeker weten. De ik in de Bohemian Rhapsody heeft iemand vermoord, namelijk de schijnpersoon die hij was totdat hij uit de kast kwam. “Gotta leave you all behind, and face the truth.” Freddie Mercury was voor de hele wereld een held, een ster, een god. Maar in hem schuilde een angst die hem inspireerde tot het componeren van zijn grootste meesterwerk. Iedereen die in de kast zit of heeft gezeten kent die angst: als ik uit de kast kom, dan is de oude ik er niet meer. Dan kijkt niemand meer hetzelfde naar me.

Ik ben al zolang ik me kan herinneren geobsedeerd door de Bohemian Rhapsody. Als klein kind lag ik dubbel om het hoge “Galileo!”. Als tiener zong ik het lied, verkleed als Freddie himself, samen met twee schoolvrienden tijdens een benefietconcert. Snorretje op m’n gezicht getekend, de helft van m’n outfit uit de kast van m’n zus geleend (bizar dat er destijds bij niemand een belletje is gaan rinkelen). Maar vandaag de dag denk ik vooral aan de betekenis achter het briljant gecomponeerde liedje.

Ik deed het zelf, anderhalf jaar geleden. Uit de kast komen. Het tegenovergestelde van waar ik bang voor was gebeurde. Ik vermoordde niemand. Mijn oude ik verdween niet. Die werd juist alleen maar meer zichzelf. Hij werd zelfverzekerder. Hij kreeg een mening en een stem. Hij durfde te gaan twijfelen over grote vragen, met een frisse blik te kijken naar het geloof. Hij ontwikkelde interesses, maakte nieuwe vrienden. En hij werd smoorverliefd.

Mijn angst was dat ik na mijn coming out in een hokje van vooroordelen en stereotyperingen gestopt zou worden. Een hokje waarin ik me helemaal niet thuis zou voelen, waarin ik mezelf niet terug zou herkennen. Die angst bleek – Godzijdank – geheel onterecht.

En toch was die angst wel degelijk ergens op gebaseerd. Ik zie het nog vaak genoeg om me heen gebeuren: alles wat anders is stoppen we in een hokje, zodat het leven overzichtelijk en begrijpelijk blijft. Homo’s hun eigen hokje, christenen hun eigen hokje. Als mensen gaan knoeien met die hokjes, zoals biseksuelen of transgenders, weten we ons geen raad. “Je kunt waarschijnlijk gewoon nog niet kiezen”, zeggen we tegen een biseksueel. “Je kunt toch gewoon in de spiegel kijken?”, tegen iemand die twijfelt over haar genderidentiteit.

Geen mens past in een hokje. Geen mens past in een kast. Persoonlijkheden, karakters, eigenaardigheden, talenten en uitzonderingen – kortom: alles wat ons kleur geeft – worden per definitie tekort gedaan als ze krampachtig in een kastje of in een hokje worden gepropt. Uit die kast breken is niet jezelf vermoorden, het is het tegenovergestelde. Het is beginnen met leven. “Just gotta get out!”, schreeuwt Freddie Mercury aan het slot van de Bohemian Rhapsody. En ik schreeuw met hem mee.

Over de auteur:
Frans is 22 jaar en onlangs afgestudeerd als journalist. Hij schrijft, fotografeert en droomt ervan de wereld rechtvaardiger te maken met die talenten. Dat messiascomplex zit waarschijnlijk in z’n bloed; hij komt uit een domineesgezin.