Aangrijpend jeugdboek over een jongen die tot de ontdekking komt dat hij geen hetero is, mooi geschreven en herkenbaar. Ook heel geschikt voor volwassenen om te lezen of om te gebruiken als aanleiding tot een open gesprek.

Auteur: Frans van Houwelingen
Uitgeverij de Vuurbaak – Barneveld, 2000 ISBN 90-5560-201-9

 

Recensie

Recensist: ds. E.A. de Boer (Zeist)
Gepubliceerd in “De Reformatie”, 2002

HOMO = MENS
’Met trillende vingers stopt Rombout de cd-rom van zijn vader in de computer. Hoe noemde moeder het ook weer? Een “gruwel”. Rombout tikt het woord in. Binnen een seconde verschijnen alle bijbelse gruwelen op zijn scherm. Na enig zoeken vindt hij de tekst die zijn moeder bedoelt: Leviticus 18:22 … Gemeenschap met een man … een gruwel is het … Maar een warme hand op jouw hand … is dat ook een gruwel? “Ach wat! Ik ben helemaal geen homo”, zegt Rombout bijna hardop. “Peter pakte mijn hand vast en niet andersom.”’

Leesverslag
Een citaat uit de jeugdroman De witte kiezel van de auteur Frans van Houwelingen, bekend door zijn kinderboeken. En van zijn eerste jeugdroman, Patatje oorlog. Iets meer dan een jaar geleden verscheen zijn tweede. De omslagtekst verraadt niet met zoveel woorden wat het thema is: de verwarrende ontdekking door een jongen van zijn homofiele identiteit en de noodgedwongen ‘coming out’. Een ontroerend boek. Confronterend ook. Voor jongens en meisjes, mannen en vaders, voor vrouwen en moeders.

Direct na verschijning heb ik deze roman gelezen. Die raakte mij diep. Toen al wenste ik er een recensie over te schrijven. Toch deed ik het aanvankelijk niet. Ik moest verder over dit boek, over de impact en de strekking nadenken. Een literaire beoordeling ligt niet op mijn weg. Misschien een ethische beschouwing? Of overvraag je een roman dan, zeker een voor de jeugd? Gesprekken met ouders van homofiele kinderen deden mij De witte kiezel herlezen. Ze kenden deze roman niet. Hun kinderen zijn allang de jeugd ontgroeid. Ik besloot er toch over te schrijven. Want het verbaast me dat deze jeugdroman niet meer bekend geworden is. Misschien omdat de flaptekst het geheim van het boek bewaard? Omdat ik graag zou willen dat dit boek als roman gelezen en gedeeld wordt, schrijf ik erover. In de vorm van een leesverslag. Een ervaring om te delen. Te leren delen in de levensweg van homofiele broers en zussen.

Een gewone jongen
Iets over de inhoud. De hoofdpersoon, Rombout, is een gewone jongen. Jongste zoon in het gezin, met drie oudere, getrouwde zussen. Zijn hobby: beeld en geluid. Hij voetbalt ook wel, maar niet met overgave. Rombout is kerkelijk meelevend. Als presentator werkt hij mee aan de radio-evangelisatie van de gemeente. Aan een praatprogramma met elke week een nieuwe, prikkelende stelling. Eerste stelling: Roken is zonde! Een meisje, dat ook meewerkt aan het programma, is verliefd op hem. Hij ook op haar? In elk geval krijgen ze verkering, ook al lijkt het onder druk van de omgeving.

In het elftal is een jongen die zich wat afzijdig houdt. Peter gaat na een wedstrijd niet met de andere jongens onder de douche. De coach noemt hem een mietje. Rombout neemt het voor hem op. Waarom? Dat weet hij zelf niet. Maar zo ontstaat contact. Peter komt er openlijk voor uit dat hij homo is. En laat merken dat hij zich tot Rombout aangetrokken voelt. Dat brengt de jongen, die net verkering heeft met Pauline, hevig in verwarring. Want aan die verkering klopt iets niet. Rombout voelt zich niet op zijn gemak als hij alleen met haar is. Wel als hij bij Peter is.

Hij komt in een moeilijk parket als zijn vriend Peter hem uitdaagt homofilie als onderwerp te kiezen. Hij draagt de stelling aan: ‘Een homo heeft ook liefde nodig’. In Rombouts stadium van verwarring en ontkenning praat hij met de anderen mee. Over homo’s. Hij stoort zich wel aan grappen, maar houdt zich stoer. Het is de ontkenning die hem ertoe drijft verkering met Pauline te nemen. Peter zegt hem ronduit dat hij zich vergist. ‘Ik kan wachten’ is de klem die hij op Rombout legt. Dit stadium preludeert op de ‘coming out’. Erkenning voor jezelf, en dan naar de mensen om je heen.

Flashbacks
Door de verhaallijn heen lopen ‘flashbacks’, flarden herinnering aan zijn kindertijd. Van het ongeluk dat hem als kleine jongen overkwam. Het lidteken. Langzaam komt de herinnering aan de oorzaak terug: de ‘potloodventer’ die hem in de hut in het nauw dreef. Voor wie hij vluchtte. Er is de flashback van de kiezelsteen die hij van zus Emma kreeg. De toversteen die helpt om geen pijn te voelen bij de tandarts. En dan is er ook de herinnering aan zijn tweeling broertje dat bij de geboorte overleden is. Theodoor, godsgeschenk. Alsof zijn broertje in een keer zijn nieuwe naam kreeg.

De roman is een vlechtwerk van draden. De gebeurtenissen rond Rombout en zijn familie, zijn vrienden en vriendin. De herinneringen aan vroeger die in vlagen en flarden opkomen. De notities die hij onder een geheim wachtwoord op de computer maakt. De gesprekken met de medewerkers aan het radioprogramma. Het is vooral via zulke gesprekken dat allerlei kanten van homoseksualiteit aan de orde komen. Op open en natuurlijke wijze. Informatief voor de jonge lezers.

Er zit subtiele humor in het boek verborgen, een knipoog aan de lezer. Het radioprogramma Collage heeft het postbusnummer 31. Ook zitten er sterke contrasten, soms in een zeer korte passage. Ik noem er één. Als Peter voor de eerste keer een arm om hem heen slaat, lees ik: ‘Een onverklaarbaar gevoel van rust komt over Rombout. Alsof alles opeens in volkomen harmonie is. Zoals die moeder van een soldaat, die een groep militairen zag marcheren en zei: “Kijk, mijn zoon is de enige die in de maat loopt”.’ Een zin om te herlezen. Het klopt niet, en toch klopt het. Zo tegendraads. Net als de Judaskus. Nee, niet die met Peter. Maar zijn gevoel van verraad, gepleegd tegenover het meisje Pauline. Die hij kuste, terwijl hij haar – en zichzelf – bedroog.

Homo factus est
Romboud hoort zijn moeder tijdens het stofzuigen de Latijnse tekst van de geloofsbelijdenis van Nicea zingen. Zij heeft geen notie van de strijd die in haar zoon woedt. Zij oefent voor de uitvoering van haar koor. Hij hoort haar zingen, over de Zoon van God: ‘homo factus est’ (en is een mens geworden). Terwijl zij niet weet, nog niet weten kán welke indruk die zin, dat ene woord op haar zoon maakt. Van de Zoon van God belijden wij dat Hij ‘homo factus est’, dat Hij een mens geworden is. Die woorden vormen ook het eind van het boek, het rustpunt dat Rombout vindt. ‘Homo, méns’. De woorden die hij op de witte kiezel heeft gekrast. Dat mag een homo weten: voor God is hij of zij in de eerste plaats een mens.

Ik, de betweter, denk: maar het woord ‘homo’, zoals wij in het Nederlands gebruiken, komt toch helemaal niet uit het Latijn? Dat is ontleend aan het Grieks. Het betekent ‘gelijk aan’, en niet ‘mens’. Goed, wij hóren in het Nederlandse woord ‘homo’ wel het oude Latijn, maar dat klopt dus niet. En toch …, staan in Filippenzen 2:7 niet de heerlijke woorden dat de Zoon van God ‘aan de mensen gelijk geworden is’? Daar gebruikt de apostel Paulus het Griekse woord ‘homoiooma’, gelijkheid (aan de mensen). Ja, dát zegt de belijdenis van Nicea in feite ook: in de Latijnse versie ‘et homo factus est’. De gedachte is volkomen waar: een mens mag er rust in vinden dat de Zoon van God méns als wij geworden is. En een andere belijdenis, onze eigen Nederlandse, legt dat zo uit mét aanhaling van dat vers uit Filippenzen: de Zoon ‘heeft de gestalte van een dienstknecht aangenomen en is aan de mensen gelijk geworden door echte menselijke natuur aan te nemen mét al haar zwakheden, uitgezonderd de zonden’ (artikel 18). Niet ons zondige, maar wel ons geschonden mens zijn. Inclusief de geschonden seksualiteit. De Schrift leert mij m’n Heiland kennen, niet als heteroseksueel mens, maar als méns. Die de lasten van ons menszijn op zich genomen heeft.

Ik denk ook aan de profetie van de knecht des HEREN, vervuld toen Christus mensen van hun fysieke en psychische lasten bevrijdde. ‘Hij heeft onze zwakheden op zich genomen …’ (Jes. 53:4; Mat. 8:17). Hij heeft – bij zijn eigen mens zijn – als het ware in zich opgenomen wat wíj aan schade in ons individuele mens zijn meedragen. Ook in onze geschonden hetero- of homoseksualiteit. Ook al vertelt het evangelie niet over herstelwonderen van homoseksuele mensen, de worsteling van Christus is wel op hen van toepassing. Hij heeft onze zwakheden op zich genomen. Zo diep is Hij in ons mens zijn ingegaan. Doordat de Zoon van God een méns geworden is.

Op dat punt gekomen, waar de roman eindigt, zet ik een stap verder. Die zou in een roman als deze gekunsteld overkomen. Maar het is deze stap, een gedachte die mij veel bezighoudt, in verband met álle ongehuwde broeders en zusters: we worden door Gods genade toch allemaal geroepen in de navolging van Jezus Christus, die mens geworden is? Dan mag het bijzondere betekenis krijgen als we zien dat onze Heer zónder de aanvulling door de ander door het leven is gegaan. Als iemand weet wat het is om alléén te gaan, dan Hij! Als iemand weet wat het is geen aanvulling en vervulling in de ánder te krijgen, dan je Heer en Meester!

Worstelen met God
De witte kiezel beschrijft de onderkenning van homoseksuele gevoelens vanuit een jongen in de adolescentie. Het geeft geen ethische beoordeling. Dat past niet bij de vorm van een roman. Maar de vraag mag wel gesteld worden: welk beeld geeft de schrijver zijn jonge lezers mee?

De stelling die in het radioprogramma besproken wordt is: ‘Een homofiel heeft ook liefde nodig.’ Onbepaald is welke vorm die liefde aannemen mag. Dat laat de roman open. De intimiteit die zich tussen Peter en Rombout ontwikkelt, is een aanraking, een omhelzing, een kus, hand in hand lopen. Fijnzinnig zet de schrijver neer hoe Rombout zich in die intimiteit gelukkig voelt. Zo anders dan in de nabijheid van Pauline, ‘zijn’ meisje. Dat roept de vraag op hoe intimiteit en seksualiteit te onderscheiden zijn. Maar de roman zou mislukt zijn als daar een ethische afweging aan toe was gevoegd. Die levensvraag van homoseksuele jongens en meisjes blijft wat het is: een vraag waarin het gevoel nu eenmaal een sterke rol speelt. Een gevoelsmatig natuurlijke, en niet tégennatuurlijke rol. En tegelijk is er de scherpte en pijn van de bijbelse woorden. Tegennatuurlijk, gruwel …

Sterk is deze roman in het vermijden van de valkuil van een ethische weging. Even sterk in het wél benoemen van Rombouts worsteling met zijn geweten, Gods Woord en de informatie over homoseksualiteit. Wat het laatste betreft, de jongen leest op het internet over biologie en psychologie. Sommigen stellen dat homofilie te genezen is. Anderen wijzen op factoren in de aanleg, de ontwikkeling en het sociale milieu. Nee, de traumatische ontmoeting in zijn vroege jeugd met de exhibitionist kán niet de oorzaak zijn. Dat wordt duidelijk uit het gesprek met de mentor, mijnheer Visser. De leraar die door zijn leerlingen ‘Softy’ genoemd wordt. Eindelijk kan Rombout de man met de grijze jas en besmette herinnering loslaten!

Ja, misschien is wel het verlies van zijn tweelingbroertje een factor. Onderzoek wijst uit dat bij tweelingen vaker voorkomt dat de ene homo- en de andere heteroseksueel is. En dat leidt Rombout tot de conclusie: ‘Theodoor was dus normaal … Daarom was hij het cadeautje van God …’ Er is steeds de band aan het broertje dat hij nooit gekend heeft, en tegelijk het contrast waarin hij zich altijd de mindere voelt. Een aangrijpende kreet: ‘God, waarom liet U mij in leven en moest Theodoor dood?’ Die worsteling leidt ook tot de volgende aangrijpende gedachtenflits: ‘God doet dat vaker met broers. De jongste is de beste. David wordt koning. Abel is goed, Kaïn slecht. Jakob heb Ik lief, Esau haat Ik. Theodoor een godsgeschenk, Rombout een gruwel.’ Een worsteling met het Woord. Met God. Een worsteling om in te delen. Niet met oordelen. Op deze wijze geeft de schrijver zijn lezers toch iets aan informatie door. Maar het blijft op natuurlijke wijze: via de ontdekkingsreis van Rombout.

Mens in de eerste plaats
De roman heeft een dramatisch einde. Rombouts ‘coming out’ wordt geforceerd door de gebeurtenissen. Welke? Dat moet u zelf maar lezen. Het laatste hoofdstuk maakt de titel duidelijk. Met het prachtig bijbelse motief van de witte steen. De belofte van Christus, onze Verlosser: ‘Wie overwint, hem zal Ik een witte steen geven, en op die steen een nieuwe naam geschreven, welke niemand weet dan die hem ontvangt’ (Openbaring 2:17). De jongen zelf schrijft op de witte kiezel: homo = mens. Als zijn nieuw gekozen naam: homo = mens. Die naam neemt hij aan uit de hand van God. Ontvangen in het lied van zijn moeder. Haar niet-zo-bedoelde gave aan hem. Een reddingsboei, uitgeworpen door Gods Geest. Het eindpunt van de roman is het eerste rustpunt. Een vertrekpunt voor een leven.

Het boek eindigt met vriendschap, met de liefde van ouders en kind, met aanvaarding in de liefde van God. Van zichzelf, van elkaar. Aan onze kant een begin van aanvaarding. Aan de kant van God onvoorwaardelijk. ‘Mag ik er zijn voor God?’ Die diepe vraag krijgt een hoog antwoord.

Daarom stem ik in met de woorden die Rombout houvast geven en die hij op de witte kiezel schrijft: homo = mens. Dat is de duidelijke boodschap die de schrijver in de vorm van deze roman de wereld in zendt. Het is tegelijk het vertrekpunt van alle ethiek, persoonlijk en als gemeenschap van geheiligden. Beginnen bij de gave van het mens zijn, geschapen naar het beeld van God. Vernieuwd in Christus Jezus, de mens.

15+
Voor welke leeftijdsgroep is deze roman bestemd? Ik zou zeggen 15+. Maar leest u het als ouders en opvoeders ook zelf. Om u te helpen uw kinderen op te voeden, ook in de onluikende en verwarrende seksualiteit. Misschien dat uw eigen kind op dit moment in het verborgen in verwarring is over zijn of haar seksuele identiteit. Een roman kan helpen om tot openheid te komen. Om te voorkomen dat de jarenlange worsteling zich in eenzaamheid voltrekt. En de ‘coming out’ als een totale schok komt.

De roman helpt ook om naastenliefde in hun eigen leeftijdsgroep te leren. Om makkelijke scheldwoorden af te leren. Rombout denkt, bitter, met afschuw over zichzelf: ‘Hij is een homo, een flikker, een poot, een nicht, een mietje, van de verkeerde kant en wat de mensen nog meer hebben bedacht om aan te geven hoe afschuwelijk hij is …’ Dat zegt hij over zichzélf. Na lezing van en inleving in deze roman láát je het voortaan om zulke woorden te gebruiken. Wat zou het veel pijn, afwijzing en eenzaamheid voorkomen als onze kinderen dat sámen leren. En het niet van óns leren zulke woorden wel te gebruiken.

Als u uw kind dit boek te lezen geeft of ziet lezen, lees het zelf ook en praat erover door. Er zijn beslist schokkende passages. Bijvoorbeeld over de ontmoeting met de potloodventer die masturbeert. Een uitgelézen kans om eerlijk te praten over dingen die gebeuren. Misschien een kans voor uw kind om nare ervaringen, vaak verborgen juist voor ouders, te benoemen en te verwerken. Of om eigen onzekerheid en schaamte, bijvoorbeeld over zelfbevrediging, uit te spreken.

Vaders en moeders
Ik raad dit boek, juist als jeugdroman, ook ter lezing aan de ouders van een lesbische dochter of homofiele zoon aan. Het helpt hen – misschien opnieuw – te delen in de periode van de jeugd van hun kind voordat het tot de ‘coming out’ kwam. De ‘coming out’ is vaak de confrontatie met ouders als eersten. In de spanningvolle relatie van de adolescent die zich losmaakt. Vaak kwam het als een absolute schok. En ontstond, misschien door ondoordachte reacties, verwijdering. In het gezin, in de kerk. Deze roman, ook over de voorbije jeugd van kinderen, kan helpen om je in te leven in die fase waarin je niet hebt kunnen delen. Misschien dat het boek een nieuwe opening geeft. Tot gesprek over het beginpunt: homo = mens. Tot ontmoeting in de liefde die de Schepper en Verlosser aan het begin plaats.

ds. E.A. de Boer