Was dit het eerste Avondmaal, Heer Jezus,
en U zat daar aan ’t hoofd en ik lag aan,
ik zou geen woorden weten voor mijn blijdschap
en ik nam het brood met beide handen aan.

Maar ik zit hier en zweet staat in mijn handen;
Ik worstel met een schamel stukje brood.
Is dit nu ‘eten tot je eigen oordeel’?
Kon ik mijn hoofd maar leggen in uw schoot!

De dominee… zijn ogen rusten op me!
Doorziet hij me? Leest hij mijn zieke ziel?
Kent hij ’t geheim dat als een anker woekert?
Ja dominee. Ik ben homofiel.

Was dit het laatste Avondmaal, Heer Jezus,
Uzelf de bruidegom en ik de bruid,
ik zou de wijn met volle teugen drinken,
maar hier, en nu… ik kom er niet meer uit!

Gewitte wand! Een hypocriet in wezen,
zit ik naast ouders die zo trots nog zijn
op mij, hun zoon! Ach Here, niets vermoeden
zij van de pijn die ook hun deel zal zijn.

Hoe zál ik ’t hen aanzeggen, Here Jezus?
Wij leven van genade, allemaal?
Ik moet bekennen om gekend te worden.
Heer! Sterk ons door dit Heilig Avondmaal.

(uit: Avondmaalgangers, Ewoud Gosker)