Diepten

Je voelt je soms zo machteloos
zo krachteloos
zo hopeloos
alleen.
Je loopt dan maar te dwalen
en weet niet eens waarheen;
de hemel is gesloten.
’t Is mistig om je heen.
Dan zak je soms zo nameloos
zo liefdeloos
zo waardeloos
ineen.
Je bent je God verloren
je doet het weer alleen.
Het leven lijkt een doolhof
geen deuren om je heen.
Je bent dan soms zo moedeloos
zo troosteloos
geloveloos
alleen.
Je kunt niet eens meer lachen
waar eens de zon zo scheen.
Je durft niet meer te bidden
je ziel is als een steen.
En God? Hij is zo vlekkeloos
zo eindeloos
zo heilig
en zo goed.
Je weet: Hij moet het maken
je kunt het niet alleen.
Hij moet je Gids weer worden
de Heere, Hij alleen.
(uit: Homofilie in de Christelijke gemeente)