I Korinthe 13: Het hooglied van de liefde

Het hooglied van de liefde heeft vandaag geklonken. Een centrale tekst in de brief van Paulus aan de Korinthiërs, een tekst waarin een echte kern van wat hij in Christus ontdekt heeft naar voren komt.

Bij de eerste christenen, die het beeld van de gekruisigde zo sterk kenden, moet het een tekst zijn geweest die aan het diepste in hen raakte:

‘al gaf ik mijn lichaam prijs, maar had de liefde niet, het baatte mij niets’.

De wazige spiegel aan het eind. Wat weten wij nu precies?

En dan: ‘ons resten geloof, hoop en liefde, maar de meeste daarvan is de liefde’.

Het is een tekst die vaak en veel gelezen wordt. Als Protestantse Kerk in Nederland hebben we die drie woorden zelfs direct met de kern van ons kerk-zijn verbonden. Op al ons briefpapier staat het: geloof, hoop en liefde.

Prachtige woorden, nauw samenhangend met elkaar. Geloof, hoop, liefde. Los van elkaar gaat het ook niet. De levenshouding die met geloof verbonden is, de hoop die ons leven richting geeft, liefde als bron van waaruit wij kunnen putten. Ze hangen met elkaar samen, versterken elkaar, voeden elkaar. ‘Maar de meeste daarvan is de liefde’, zegt Paulus aan het slot.

Ik ben inmiddels 23 jaar predikant. 10 jaar daarvan was ik studentenpredikant. Er zijn heel wat huwelijksvieringen waarin ik voorgegaan ben. En verrassend vaak – of misschien niet zo heel verrassend – werd me gevraagd of we déze tekst zouden kunnen lezen in de huwelijksdienst.

Als die vraag komt, neem ik altijd de gelegenheid te baat om die tekst nog eens héél grondig te bekijken. Ook in haar context.

Waar gaat het in deze tekst precies om? Waar heeft Paulus het over? En helder is dan dat Paulus het niet zomaar over de liefde tussen twee mensen heeft. Hier is een veel breder kader aan de hand. Paulus heeft het over een hele gemeenschap van mensen. Paulus heeft het ook over agape als een diepe bron waaruit geput kan worden en die het hele leven kan doorgloeien.

En soms kom ik in huwelijksdiensten dan tóch bij die tekst uit. Omdat degenen die gaan trouwen zeggen: Ja, maar precies dáár willen wij ook dat het over gaat. Over die diepe bron die in onze relatie voor ons toegankelijk geworden is. Die hééft niet alleen maar betrekking op ons leven samen. Die helpt ons en schenkt ons een kracht die in héél onze omgang met mensen van pas komt. Iets van de liefde van God zien wij weerspiegeld in onze relatie met elkaar. Die weerspiegeling maakt ons dankbaar en geeft ons kracht in heel ons leven.

Mooi. Heel mooi vind ik dat, als ik dat zo tegenkom. De mens voor de mens een kritisch tegenover. De mens die in het leven sporen van God ontdekt en zich daardoor gedragen en geroepen weet. Heel mooi.

Vaak zijn het mannen en vrouwen geweest, met wie ik zo het gesprek over hun huwelijk gevierd heb. Maar gelukkig niet altijd. Soms waren het ook twee mannen of twee vrouwen. Voor hen was er dan vaak aan het moment van het huwelijk een heel wat ingewikkelder traject voorafgegaan dan voor jongens en meisjes die elkaar vonden en prachtig voldeden aan het verwachtingspatroon van ouders, grootouders en verdere omgeving.

Nóg veel vaker heb ik gezien wat een enorme worsteling het is voor mannen die van mannen houden of van vrouwen die van vrouwen houden om zichzelf überhaupt toe te staan dát die bron van liefde er ook in een relatie tussen mannen of tussen vrouwen kan zijn. Als hier vandaag de vraag klinkt ‘hoe kleur je je leven?’, dan hoort daar voor mijn gevoel de vraag bij: ‘laat je kleur toe?’.

Vorig jaar was ik te gast op deze dag van Contrario, en het moet me van het hart dat ik eigenlijk een beetje schrok. Wat een enorme worsteling nog. Wat zijn er veel mensen die niet toe durven komen aan iets dat zich als een feit voordoet in hun leven.

Ik dacht terug aan mijn eigen studententijd. Aan één van mijn beste vrienden die op een gegeven moment vertelde dat hij homo was. Ik hoor nog zijn verzuchting: ‘Begrijpen doe ik het ook niet. Maar het ís evident zo. Ik kan er niet omheen.’

Jaren later, als studentenpastor, leidde ik een groep over geloof en homoseksualiteit. Studenten die vragen hadden op dit terrein, konden deelnemen. Er zijn er veel die ik nog zo voor me zie, omdat de gesprekken in die groep indringend waren.

Ik zag er studenten binnenkomen. Schichtig soms, bang om door anderen opgemerkt te worden. Heel voorzichtig hun eerste woorden sprekend over iets in hun leven dat zich aan hen geopenbaard had, maar dat niet zomaar paste in het beeld van het leven dat zij zich gevormd hadden. De schrik die daar soms mee gepaard ging. De wens ook dat het toch niet zo zou zijn. En gelukkig, zo nu en dan, ook iets van blijdschap en vreugde omdat zij hun gevoelens begrepen, konden plaatsen en zich nu af konden gaan vragen hoe hun leven dán vorm zou krijgen.

De móeite die ik bij velen van hen gezien heb, heeft mij altijd diep geraakt. ‘Waarom moet iemand die bij een minderheid hoort zóveel doormaken om uiteindelijk aan precies hetzelfde toe te komen als ik in mijn relatie als vrouw met een man vind? Waarom moet een vriend van mij zich in élke nieuwe maatschappelijke context weer éven afvragen hoe er gereageerd zal worden op het feit dat hij homo is?’ De pijn die daarbij hoort, raak ik niet kwijt en betekent voor mij dat ik het gesprek hierover aan wil gaan met diegenen die zich het recht van oordelen aanmeten. Voor mij hoort dát bij goed christen zijn. Christus heeft mij geleerd te kijken door de ogen van slachtoffers. Als homoseksuelen níet tot hun recht kunnen komen, hoort het dús bij mijn leven vanuit geloof, hoop en liefde om me voor díe rechten in te zetten.

Natuurlijk realiseer ik me dat daar een keuze onder schuilt. De keuze om te accepteren dat homoseksualiteit een gegeven is. Dat diversiteit een gegeven is. Dat we niet altijd hetzelfde zijn. Dat er verschillen zijn in hoe mensen zíjn. Dat er zélfs mensen zijn die het gevoel hebben dat zij geboren zijn in een lichaam dat hen eigenlijk niet past.

De acceptatie van die vriend die ooit tegen me zei: ‘Begrijpen doe ik het ook niet, maar het ís zo. Ik bén zo’, heeft mij voorgoed in de modus gezet dat het onmogelijk is om iemands kern te ontkennen of af te wijzen. Dat past voor mij ook niet bij hoe ik God heb leren kennen. God die ons ziet zoals wij zijn. Die ons dieper kent, dan wij onszelf ooit kennen. Het heeft mij in de modus gezet dat wij op aarde aan elkaar gegeven zijn om, in navolging van Christus, geroepen door een God die ieder mensenkind kent, elkaar tegemoet te komen en overeind te helpen. Om niet alleen zelf op weg te zijn met geloof, hoop en liefde, maar dat ook aan anderen te gunnen.

Wanneer Paulus in zijn brief aan de Korinthiërs zijn hooglied van de liefde schrijft, doet hij dat met de gemeente in gedachten. Hij ziet de mensen die daarbij horen voor zich. Hoe zij een gemeenschap gevormd hebben, hoe zij gedreven worden door idealen en hoop, hoe het soms mis gaat met de onderlinge communicatie, hoe ze hun eigen idealen soms verkwanselen.

In zijn brief is hij met hen in gesprek over al deze zaken. Hij complimenteert hen met hun gedrevenheid, maar spreekt hen ook aan op de ontaardingen. Je ziet het zo maar voor je: iemand die een geloofsgemeenschap vanaf haar grondvesten kent en haarscherp kan analyseren wát haar bij elkaar gebracht heeft, wat haar kracht is, waar zwakheden schuilen, waar het misgegaan is, waar oneigenlijke motieven een rol spelen, en waar kansen liggen.

In díe setting komt Paulus ertoe om een heel stuk aan de liefde te wijden. Mooie dingen schrijft Paulus over de liefde. Liefde is geduldig en vriendelijk, liefde blaast zichzelf niet op, liefde verheugt zich niet over onrecht, liefde vindt vreugde in de waarheid. Mooie dingen, al klinken sommige zinnen ook wel wat erg ‘groot’: ‘alles verdraagt zij, alles gelooft zij, alles hoopt zij, alles verduurt zij’. Zijn dat niet wat al te grote dogma’s over de liefde? Wat bedoelt Paulus daarmee? Moet je, als je van iemand houdt, alles maar verdragen? Hoe spreekt hij hier over de bron?

Hóe schrijft Paulus hier eigenlijk over de liefde? Geeft hij hier een norm aan: zó moet je handelen, anders handel je niet uit liefde? Zó moet het toegaan in een relatie of gemeenschap op liefde gebaseerd? Is deze tekst prescriptief, voorschrijvend? Of laat Paulus zien hoe het in de praktijk gaat: beschrijft hij wat liefde nu eenmaal doet? Is deze tekst descriptief? Waarom schrijft Paulus dit stuk over de liefde aan zijn gemeente?

De tekst van Paulus is ingebed in een groter geheel. In het hoofdstuk ervoor en in het hoofdstuk erna schrijft Paulus over profeteren. Hij is op zoek naar de gaven die mensen ontvangen hebben en die zij kunnen inzetten voor het bouwen aan een rechtvaardige wereld. En in dat zoeken naar gaven belandt hij plotseling bij de liefde, om over haar uitvoerig uit te weiden. Aan háár kent hij grote waarde toe: zonder liefde is al het andere waardeloos. Het klinkt heel mooi, wat hij hier allemaal zegt, maar hoe bedóelt Paulus deze tekst nu precies? Prescriptief? Descriptief? Hoe kún je eigenlijk spreken over liefde? Welke plaats kent hij toe aan liefde in het leven van mensen?

Die laatste vraag is een vraag die in het werk van Martha Nussbaum uitvoerig aan de orde komt. Van huis uit classica heeft deze vrouw zich ontwikkeld tot een filosofe met een zeer praktische inslag. Zij spant zich in om de levens van mensen te lezen en van daaruit te komen tot een zeer praktische filosofie die mensen helpt om ‘goed’ te leven. Het lezen van levens doet zij vanuit diverse bronnen, waarbij literatuur haar voornaamste bron vormt. Klassieke en moderne schrijvers leest zij met aandacht, om erin te horen wat hen bewogen heeft. Wat haar daarin aangereikt wordt neemt ze als basis voor haar filosoferen.

In het artikel ‘Wat liefde weet’ bewandelt zij ook deze weg. Ze legt een werk van Proust, en de wijze waarop hij liefde tekent, naast een verhaal van Ann Beattie, en de wijze waarop zij over liefde spreekt.

Ze begint met de weergave van een emotie. Een man, Marcel, is voor zichzelf tot de conclusie gekomen dat hij niet meer houdt van de vrouw met wie hij tot dan toe zijn leven gedeeld heeft. Hij heeft er lang over gedacht, hij heeft gewikt en gewogen, en dan weet hij het. Hij houdt niet meer van haar. Maar dan brengt een derde persoon hem het nieuws: Mademoiselle Albertine is vertrokken. En alles in hem gaat omver. Hij weet dat zijn intellect hem bedrogen heeft. De pijn om deze mededeling is zó groot dat hem eindelijk weer de liefde geopenbaard wordt die hij voor Albertine koestert. Deze dwingende indruk heeft hij nodig om tot inzicht te komen.

De visie die hierin naar voren komt, is een visie waarin aan emoties waarde wordt toegekend. Heel anders dan in grote delen van de filosofie het geval is. Over het algemeen worden emoties gezien als misleiders, als iets, wat je buiten de haken dient te plaatsen, wat je maar in de war maakt.

Ook bij Martha Nussbaum gelden emoties niet zonder meer als een betrouwbare bron van kennis. De man die hier door Proust getekend wordt, maakt een belangrijke omslag door de emotie die hem treft. Uiteindelijk zal hij, volgens Proust, met beide in het reine moeten zien te komen. Met emotie èn reflectie. Tussen die twee zal een evenwicht moeten ontstaan. Op één van beide kun je niet zomaar bouwen. Maar vast staat dat de dwingende indruk van pijn uitgangspunt voor verdere kennis is. De emotie die zonder omwegen bij Marcel binnengekomen is, is het sterkste signaal van wat er met hem aan de hand is.

Heel anders speelt de liefde een rol in het tweede verhaal dat Nussbaum beschrijft, het verhaal van Ann Beattie. Daar ontstaat de emotie juist in het contact tussen twee mensen. De lach speelt een grote rol in dit verhaal. De lach openbaart hoezeer twee mensen op elkaar betrokken zijn en naar elkaar verlangen. De lach openbaart de liefde.

In beide gevallen fungeren emoties echter als eerste bron van kennis. Kennis die vervolgens nog wel reflectie verdienen, maar toch. Het begin van het zoeken naar liefde is het serieus nemen van de emoties die een mens beheersen.

Nussbaum gaat hier vrij ver in. Als ik haar goed begrepen heb, zoekt zij in élke emotie de basis van liefde die daarin geopenbaard wordt. Pijn en boosheid openbaren liefde die geschonden wordt. Vreugde openbaart liefde die gevonden wordt.
Een verhaal over iemand die in eenzaamheid tobt met emoties en reflectie raakt je emotioneel wanneer je zélf rondtobt en op zoek bent naar waarheid over liefde. Een verhaal over de lach herken je vrolijk. Of het steekt je, omdat jij er maar niet in slaagt om tot gedeelde communicatie te komen.
Oók de emoties die je raken bij het lezen van een boek, openbaren je iets van de liefde die in je is. Reflectie kan je vervolgens helpen deze liefde te herkennen, en haar vandaaruit vorm te geven.
Wat ik vaak gehoord heb van mensen die ontdekken dat zij homoseksuele gevoelens hebben, is dat het hen moeite gekost heeft die gevoelens toe te laten en te vertrouwen.
Lezen we door deze bril de brief van Paulus nog eens, dan kunnen we ons afvragen waarom Paulus zijn woorden precies schrijft. Prescriptief? Het zou waarschijnlijk weinig zin hebben. Wie geen liefde voelt, kan haar ook niet geven. Voor respect voor anderen kun je nog kiezen, zei iemand uit een jongerengroep ooit tegen me, maar liefde is iets anders.

Schrijft Paulus dan descriptief? Béschrijft hij slechts wat liefde doet? Waarom zou hij zoveel woorden vuil maken aan iets wat tóch al plaatsvindt? Wat is de zin daarvan?

Of probeert ook Paulus zijn gemeenteleden, door iets te beschrijven dat niet altijd meteen herkend wordt, aan te spreken op een bron die in hen is, maar misschien niet altijd even zichtbaar? Geloof, hoop en liefde. Profeteren. Spreken in tongen. Er gebeurt veel in de gemeente waaraan Paulus schrijft. Het is een hechte gemeenschap van mensen voor wie de samenkomsten niet zomaar vanzelfsprekend zijn, omdat ze van buitenaf ook bedreigd worden. Hoe gemakkelijk kan het in zo’n situatie niet gebeuren dat mensen verharden, dat ingesleten patronen de overhand krijgen, dat angst en boosheid het voortouw gaan nemen. We herkennen de valkuilen uit onze eigen relaties, uit gemeenschappen waarin we leven, uit het sombere beeld van de wereldpolitiek waarmee we in deze dagen steeds weer geconfronteerd worden.

Martha Nussbaum nodigt ons uit om te luisteren naar de emoties die zich bij dit alles voordoen. Zij nodigt ons uit om in deze emoties te zoeken naar de plaats van de liefde. Om dan vervolgens te zoeken naar mogelijkheden om deze líefde vorm te geven, en níet de angst of de boosheid.

Zó nodigt ook Paulus ons uit om op zoek te gaan naar de liefde.

Als het zo is, dat wij leven in gemeenschappen op liefde gebouwd, laten we dan proberen om nu en dan terug te komen bij dat fundament. Anders is toch ál het handelen en ál het spreken in en vanuit die gemeenschap leeg geworden. Wáár is de liefde die ons drijft? Wáár is zij te vinden? Zíj was ons godsgeschenk. Zíj was ons gegeven. Zíj vormt de basis voor onze hoop, en voor ons geloof.

Laten we zo nu en dan proberen om terug te komen bij dát fundament. Dáármee heeft God ons gekend. Dáár duiden wij toch ook éigenlijk op als we het wagen te spreken over God. Dáárom was het ons begonnen in de kerk.

De werkelijkheid laat ons vervolgens zien dat die liefde zich op verschillende manieren openbaart. Mensen zoeken naar sporen van God. Naar verwijzingen naar de bron. God heeft ons liefgehad. Dat weten we rationeel en gelukkig ook emotioneel. Laten we er dan met elkaar ook voor staan om de toegangswegen open te houden en geen onnodige verkeersdrempels op te werpen. Er zijn verschillende kleuren in dit leven. Laten we zorgen dat we ze zien en erkennen.

Om te zijn elkaar tot zegen. Om te gaan een weg van dagen. Liefdesweg die ooit zal leiden naar een menselijk bestaan.

Dit is de integrale tekst van de lezing die ds. Karin van den Broeke, preses van de generale synode van de Protestantse Kerk in Nederland, 28 november 2015 hield tijdens de ontmoetingsdag van ContrariO in Amersfoort. De lezing is in verkorte vorm opgenomen in ContrariO Magazine 2016.